Van vroeger


Kitty komt een man tegen op de gang.
“Ik ben verdwaald,” zegt de man. “Ik heb een ongeluk gehad bij de lift daar. Nu weet ik niet waar ik ben.”
“Ik ben ook verdwaald,” zegt Kitty. “Dan kunnen we samen díe kant op.”
Samen lopen ze de woonkamer in.
“Ik ben helemaal kapot,” zegt de man. Hij wijst al zijn kapotte lichaamsdelen aan. Er zijn vage littekens te zien.
“En de knal kwam tot hier,” zegt hij terwijl hij naar de buurvrouw wijst.
“Ik ga proberen om je beter te maken,” zegt Kitty en masseert de schouders van de man.
Hij lacht. “Je weet wel wat je doet,” zegt hij.
Kitty neemt de buurvrouw ook onder handen.
“Ik vind het niet zo goed,” zegt ze. “Doe mij maar die andere stukjes.”
Kitty pakt de ukelele en zingt samen met de vrouw liedjes van vroeger.
“Dat doe je heel handig,” zegt ze.
“Wie is er jarig!” zegt een andere vrouw.
“De zuster,” zegt Kitty en iedereen aan tafel zingt uit volle borst mee.
“Ik kom uit een groot gezin,” vertelt de vrouw. “En mijn vader maakte dát.” Ze wijst naar het schilderij dat aan de muur hangt.
“Het is heel donker,” zegt Kitty. “Met een boerderijtje. Vind je het mooi?”
“Heel mooi,” zegt de vrouw. “Het laat mijn realiteit zien. Mijn vader werkte hard. Hij wandelde met mensen. Die hadden een bult. Of een kromme neus. Of maar één been.”
“Je lijkt vast op hem,” zegt Kitty. “Je hebt toch graag mensen om je heen?”
“Mijn vader zei dat ik niet het type was voor maar één of twee kinderen.”
“Nee, een groot gezin past wel bij je,” zegt Kitty.
“Maar nu eerst maar een man,” zegt de vrouw. “Want die heb ik nog niet.”
“Die zul je nog van je af moeten slaan,” zegt Kitty.
De vrouw lacht. “Ha ha, van mijn vader mag ik ze niet slaan!”

Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *